“Wat is dat oma”? Vroeg ik nieuwsgierig al kijkend naar de gigantische kalfstong die glimmend op de aanrecht stond. Oma die net klaar was met het schillen van de laatste aardappel antwoorde: “Wat zeg je schat”?
Dat was altijd het eerste wat ze vroeg ook al had ze je al lang en breed gehoord. “Dat vieze ding op de aanrecht”, probeerde ik nogmaals. Oma begon te lachen. “Dat is een tong lieverd”.
“Een tong”? Stamelde ik. “Ja”, zei oma een kalfstong voor in de soep.
Hmm dacht ik, dat is dan geen soep voor mij vanavond. Bij mijn vader thuis waren ze dat wel gewend zo’n naakte kalfstong, die aten immers vanalles: niertjes, lever , hartjes en zelfs hersenen.
Dat was daar heel gewoon. In tegenstelling tot mijn moeder, die kwam van een gezin waar men hooguit 1 x per week draadjesvlees at.
Ik had haar blik graag willen zien toen de pan met konijnenkoppen op tafel kwam en alle kinderen doodleuk de hersentjes begonnen uit te lepelen.
Oma kon koken als geen ander. De queen of slow cooking, begon ‘s morgens al met het avond eten. Zo had ze dat geleerd als jong meisje bij het joodse gezin waar ze voor de oorlog voor kookte.
Bij oma smaakte alles, zelfs de groenten die thuis niet luste. Dat kwam voornamelijk door lange trage garingstijd en de 3 pakken roomboter die ze minimaal gebruikte per avond maal.
Haar zure komkommer salade met uitjes vonden wij het lekkerst. En hoe mijn moeder ook haar best deed op haar komkommer salade, die van oma werd het nooit.
Ik vroeg oma op een dag: “Oma”? “Hoe krijg jij die komkommer salade van jouw zo lekker”?
Oma antwoordde met haar typische Amsterdamse humor: “Nou schat ik ga daar ‘s ochtends altijd met me blote voeten in zitten”.
Hmm dacht ik, geen komkommersalade voor mij vanavond.